De specifieke smaak van drop komt van de zoethoutwortel,
een wortel van de zoethoutstruik Glycyrrhiza glabra, die tot de
vlinderbloemfamilie behoort. Zoethoutstruiken hebben een hoogte van één
meter en komen oorspronkelijk voor in de landen rond de Middellandse Zee, zoals Griekenland, Spanje en Italië, dus in subtropische streken. De struiken groeien het best langs een vochtige rivierbedding. Ook in Noord-Amerika en China groeien zoethoutstruiken, maar dan een andere soort, respectievelijk de Glycyrrhiza lepidota en de Glycyrrhiza uralensis. De toepassing van beide soorten is echter dezelfde als die van de Glycyrrhiza glabra.
Zoethout dankt zijn zoete smaak aan het glycyrrhinezuur. Dit zuur is maar liefst vijftig maal zoeter dan suiker. De nasmaak van glycyrrhinezuur is de typische dropsmaak. In Nederland kun je stokjes zoethoutwortel ook wel kopen om op te kauwen.
Na 4 jaren groei kunnen de zoethoutwortel struiken door de boeren uit de grond gehaald worden en ontdaan van de wortels. Dat wordt in oktober gedaan. De struik heeft dan al haar bladeren verloren en groeit niet meer verder tot de regenperiode in april van het volgende jaar. Omdat de wortels soms wel vier meter in de grond zitten, is het oogsten een lastige klus. Een deel van de wortels wordt afgeknipt. Daarna wordt de struik weer ingegraven, zodat deze verder kan groeien. Ter voorkoming van schimmelgroei worden de afgeknipte wortels in de zon te drogen gelegd. Na het drogen verkoopt de boer de wortels aan de fabriek. Daar worden ze gesneden, in lange rafels uit elkaar getrokken en met water tot pulp gemaakt. Na het filteren wordt de pulp ingedikt tot een extract. Dit extract wordt in bakken gegoten en weer gedroogd. Het product dat dan ontstaan is, wordt blokdrop genoemd. De blokdrop wordt vervolgens voor verwerking geëxporteerd naar de drop-, tabaks- en farmaceutische industrie elders in de wereld.
Blokdrop smaakt enorm sterk en niet naar de drop die wij kennen. Omdat blokdrop zo zoet is, hoeft er bij de verdere verwerking maar heel weinig van gebruikt te worden.
In dropfabrieken wordt deze blokdrop vervolgens weer opgelost in water waarna er allerlei ingrediënten aan toegevoegd worden om drop te maken. Er wordt eerst een mengsel gemaakt van een zoetmiddel (bijvoorbeeld suiker, honing, of glucose- of fructosestroop). Dan worden er stoffen als onder andere anijsolie, laurier, menthol, honing en verdikkingsmiddelen aan het mengsel toegevoegd.
Vroeger gebruikte men Arabische gom als bindmiddel. Deze Arabische gom zit aan de Acacia boom die ook in alleen de warme landen groeit. Vooral in Soedan, Senegal en in het stroomgebied van de Nijl. In de bast van de boom zitten scheurtjes waaruit druppels gom komen. Deze druppels vormen dikke klonten Arabische gom die er vervolgens afgehaald worden. Door het toevoegen van deze gom wordt de drop soepel. Arabische gom is echter schaars en daardoor ook zeer kostbaar. Dit is dan ook een belangrijke reden geweest dat men aan drop ook zetmeelsoorten is gaan toevoegen om te binden omdat het goedkoper is. Als laatste worden kleur- en smaakstoffen toegevoegd. Deze smaakstoffen zijn afhankelijk van de soort drop die er gemaakt wordt. Als kleurstof wordt meestal karamel toegepast. Als het om zoute drop gaat, wordt er ook salmiak aan toegevoegd. Het mengsel ziet er dan ongeveer uit als brooddeeg en wordt daarom ook wel 'deeg' genoemd.
Al deze ingrediënten worden in grote ketels gekookt. Het mengsel wordt verhit tot 135 C. Na het koken wordt deze vloeibare massa door een pijpenstelsel naar dropgietmachines getransporteerd. Door deze machines gaan platte bakken met gietpoeder erin wat maïszetmeel is omdat dit gemakkelijk vloeistof opneemt en niet klontert. In deze poeder worden vormpjes gedrukt met stempels die van gips gemaakt zijn. In deze vormpjes wordt de vloeibare drop gegoten. De bakken met vloeibare drop worden door dezelfde machine automatisch op elkaar gestapeld en in droogkamers gereden. Daar worden zij 36 tot 48 uur gedroogd bij een temperatuur die oploopt tot 70 graden. Na dit proces wordt de gedroogde drop vervolgens weer door dezelfde machine getransporteerd. De machine keert de bakken om waardoor het gietpoeder en de harde dropjes uit de bakken vallen. Het gietpoeder wordt in de machine gezuiverd en opnieuw gebruikt. De dropjes worden in de machine schoongeborsteld en getransporteerd naar glanstrommels waar ze voorzien worden van een laagje plantaardige olie om mooie en glimmende exemplaren te creëren. Vervolgens worden de dropjes verzameld in plastic bakken en naar inpakmachines gebracht waar ze verpakt worden in allerlei soorten verpakkingen. Goed verpakte drop is meer dan een jaar houdbaar. De consument koopt de dropjes in zakjes, rolletjes of los. Dat laatste is het geval bij de drogist of in snoepwinkels waar je zelf de dropjes uit grote bakken mag scheppen.
De meeste drop wordt gegoten zoals hierboven beschreven is. Daarnaast bestaat er geperst drop, bijvoorbeeld dropveters en dropstaven. Deze dropsoorten worden onder hoge druk in een vorm geperst en vervolgens in grote of kleine stukken gesneden. Engelse drop wordt ook op deze manier gemaakt. Eigenlijk valt deze drop niet onder de gewone dropjes. Deze snoep behoort bij de categorie suikerwaren en zijn in 1760 uitgevonden door de Engelse apotheker George Dunhill.